Een pijn van verlating, scheut van verlichting. Je wordt wakker en alles is weer bij het oude. Het gevoel van onzekerheid keert terug. De nieuwe dag is aangebrokken.
Je bent en blijft verdwenen.
Je fietst hard weg, ik schreeuw je na. ‘ik mis je’
Ik ren je achterna en haal je bijna in. Dan ineens plof bam de muur van ongewilde virtualisatie afzondering en meer. Dit was de druppel. Het start met regenen. Een stap richting afgrond.
Ik ben de draad kwijt, of had ik geen draad? zoekend naar het antwoord op een vraag die niemand kent. Verdwenen in een stamboom afgezonderd in ontwetenheid.
Het verleden achtervolgd me, haalt me in en laat zien hoe het werkt.
You don’t know anything. Het maakt me rustig. Ik schrik wakker. De dag brekt aan. De Sont vormt de enige scheidingslijn tusen ons Op mijn zondigingen na. Verdwenen herinderingen komen nu flitsend boven. Balancerend op de rand. Glippend naar gevaar.
Staand op de lange weg tussen hier en de vergeteltheid.
Levend op een bestaan.
God god, wat heb ik met je gedaan
Ooit zal het zijn vergetend. Renend over de laatste rots verweg van de afgrond leuned op wat is. De sprong laat me zweven. En dan plof die harde klap. Het is niet meer te overzien. Wanneer is het voorbij, vandaag? morgen ooit misschien.
Tot die tijd zal het noodlot toeslaan, balancerend op de rand van al het gaan,
verdwenen uit het niets, alsof je nooit had bestaan.